Codex boek III Arbeidsplaatsen

Het vroegere KB Arbeidsplaatsen (2012) met zijn aanpassingen in 2016 heeft in de Codex een apart boek gekregen. Titel 1 beschrijft de basiseisen waaraan een arbeidsplaats dient te voldoen (link). Hierin zijn ook een hele reeks aanknopingspunten te vinden voor ergonomie.

  • Hoofdstuk II: Uitrusting van de arbeidsplaatsen – voldoende ruimte
  • Hoofdstuk III: Verlichting – NBN-EN 12464
  • Hoofdstuk IV: Luchtverversing – Geen tocht of temperatuursschommelingen
  • Hoofdstuk V: Temperatuur – KB Thermische omgevingsfactoren
  • Hoofdstuk VI : Sociale voorzieningen – bij oa. zwaar werk

Hoofdstuk II. Uitrusting van de arbeidsplaatsen

Art III.1-6. De oppervlakte, de hoogte en het luchtvolume van de lokalen waarin gewerkt wordt zijn van die aard dat de werknemers hun werk kunnen uitvoeren zonder risico voor hun welzijn:

* hoogte lokalen: min. 2m50 hoog
* werkelijke ruimte: min. 10m³/persoon
* vrije oppervlakte: min. 2m²/persoon

Art III.1-7. De afmetingen van het vrije, ongemeubileerde oppervlak van de werkpost wordt zodanig berekend dat werknemers over voldoende ruimte beschikken.

Om de benodigde kantooroppervlakte te bepalen, wordt in praktijk de NEN 1824 gehanteerd. Deze beschrijft een rekenmethode om de benodigde ruimte te bepalen.

Hoofdstuk III. Verlichting

Art III.1-31. De werkgever zorgt ervoor dat er op de arbeidsplaats voldoende daglicht binnenkomt en dat indien dit niet mogelijk is, er een adequate kunstverlichting aanwezig is.

Art III.1-33. De werkgever bepaalt op grond van de resultaten van een risicoanalyse aan welke voorwaarden de verlichting dient te voldoen om ongevallen en oogvermoeidheid te voorkomen. Wanneer men voldoet aan de vereisten van de norm NBN-EN 12464, wordt men verondersteld in orde te zijn.

De Europese norm over binnenverlichting, NBN-EN 12464, beschrijft kwantiteit (Lux) en kwaliteit van het licht (lichtverdeling, kleurweergave, kleurtemperatuur,…).

Hoofdstuk IV. Luchtverversing

Art III.1-34. De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers in de werklokalen over voldoende verse lucht beschikken opdat de CO2-concentratie lager is dan 800 ppm, tenzij deze kan aantonen dat dit om objectieve en gegronde redenen niet mogelijk is. In elk geval mag de CO2-concentratie in deze werklokalen nooit hoger zijn dan 1200 ppm.

Art III.1-35..De luchtverversing gebeurt op natuurlijke wijze of door middel van een luchtverversingsinstallatie.

Art III.1-36. Voorwaarden luchtverversingsinstallatie (mechanisch ventilatiesysteem of airco):

* verspreidt enkel zuivere lucht, gelijkmatig over de werklokalen
* er is geen blootstelling aan temperatuurschommelingen, tocht, lawaai of trillingen
* houdt rekening met wetenschappelijke normen rond luchtvochtigheid
* elke afzetting van vuil, verontreiniging of besmetting wordt voorkomen
* storing worden gemeld door controlesysteem

Hoofdstuk V. Temperatuur

Art III.1-38. Arbeidsplaatsen zijn voldoende thermisch geïsoleerd rekening houdend met de aard van het werk. Ramen, bovenlichtvoorzieningen en glazen wanden zijn zo geconstrueerd dat overmatige zonnestraling op de arbeidsplaats vermeden wordt.

Art III.1-38. De temperatuur op de arbeidsplaats is gedurende de arbeidstijd afgestemd op het menselijk organisme, rekening houdend met het KB Thermische omgevingsfactoren (2012).

In het KB worden minimum en maximumtemperaturen beschreven in functie van de zwaarte van het werk. Voor de comfortwaarden wordt verwezen naar ISO 7730.

Hoofdstuk 6. Sociale voorzieningen

Art III.1-40. De sociale voorzieningen beantwoorden aan de minimumvoorschriften (aantal, oppervlakte en afmetingen) uit de bijlagen: kleedkamers, wastafels en douches, wc, refter en rustlokalen.

Art III.1-60. Wanneer uit de risicoanalyse blijkt dat het voor bepaalde functies noodzakelijk is dat de werknemers rustpauze nemen, dan stelt de werkgever een rustlokaal ter beschikking:

* blootstelling aan thermische omgevingsfactoren
* blootstelling aan lawaai of trillingen
* energieverbruik meer dan 410 Watt
* …