Relatieve luchtvochtigheid

Luchtvochtigheid

De wetenschap stelt een relatieve luchtvochtigheid voor in de zone 40 tot 60%. De wetgeving volgt dit wanneer het technisch mogelijk is. Een zone tussen 35 en 70% is toegelaten wanneer men kan aantonen dat er geen biologische of chemische agentia in de lucht zitten (Codex boek III Arbeidsplaatsen). Dit is inderdaad het meest onderbouwd met het oog op een goede gezondheid.

Bacteriën

De bacteriën die verantwoordelijk zijn voor keelontstekingen (streptococcen), overleven het best bij een lage relatieve luchtvochtigheid. Andere bacteriën (staphylococcen) overleven dan weer het best bij waarden boven de 70-80%. Een relatieve luchtvochtigheid tussen 40 en 60% is voor deze ziekteverwekkers het meest dodelijk.

Virussen

Een gelijkaardig patroon is te zien bij virussen. Sommigen overleven het best bij een luchtvochtigheid boven de 70% (adenovirus-diarree), de virussen verantwoordelijk voor griep (influenza) groeien het best bij waarden onder de 50%. Dit geldt ook voor mazelen en rode hond, maar deze worden opgevangen door de preventieve vaccinaties.

Het griepvirus heeft het meeste kans op overleving bij een luchtvochtigheid van 20%, wat in de winter kan voorkomen. Vanaf 40% wordt het virus snel inactief. Bij een toenemende luchtvochtigheid van 40 tot 70% zal het aantal griepgevallen progressief verminderen. Boven de 70% zal het influenzavirus weer beter kunnen overleven.

Respiratoire infecties

In de winter zijn er vaak lange periodes met een lage luchtvochtigheid. Dit resulteert in meer aandoeningen aan de luchtwegen. Bij een vergelijking tussen een bevochtigde (40%) en niet-bevochtigde (20%) legerbarak, waren er 18% minder infectieziektes tussen januari en maart bij een hogere relatieve luchtvochtigheid. Ook in schoolsituaties vond men een gelijkaardig resultaat voor het aantal afwezigheden. Een relatieve luchtvochtigheid van minstens 40% is vereist.

Allergieën

De schimmel verantwoordelijk voor astma, groeit het best bij een luchtvochtigheid boven 75% De huisstofmijt gedijt goed bij waarden boven de 80%. Wanneer de luchtvochtigheid daalt tot tussen 40 en 50%, worden de mijten bijna volledig geëlimineerd. Luchtvochtigheid is de meest bepalende factor bij huisstofmijtallergie, meer dan het regelmatig onderhoud of de leeftijd van het gebouw.

Luchtontvochtigers hebben een positief effect voor 95% van de mensen. Er worden minder klachten van droge neus en keel gerapporteerd. Aandachtspunt is wel een goed onderhoud van de installaties omdat verontreiniging opnieuw bacteriën en schimmels kan verspreiden.

Conclusie: relatieve luchtvochtigheid tussen 40 en 60%

Om de nadelige gezondheidseffecten minimaal te houden, is een relatieve luchtvochtigheid tussen 40 en 60% de beste keuze. In de winter met waarden vaak minder dan 40% treden er meer respiratoire infecties op, zijn er meer griepgevallen en is de ernst van allergische reacties groter. In de zomer kan de luchtvochtigheid makkelijk boven 60% komen. Lagere waarden zijn nodig om allergieën te beperken.