Ohio State richtlijnen Trekken en Duwen

Ohio State richtlijnen Trekken en Duwen

Wat doen de Ohio State richtlijnen?

De Ohio State richtlijnen Trekken en Duwen geven objectieve grenswaarden voor trek- en duwkrachten. Op basis van de gemeten kracht aan de handen wordt de biomechanische belasting op de rug en schouders geëvalueerd. De richtlijnen gelden voor volgende situaties:

  • Trekken en duwen met twee handen in rechte lijn
  • Trekken en duwen met twee handen tijdens het draaien.
  • Trekken met één hand

In tabellen kan dan de maximale aanvaardbare kracht afgelezen worden in functie van de hoogte van het handvat. Deze limieten zijn gelijk voor mannen en vrouwen, onafhankelijk van de afstand en frequentie.

Ohio State tabellen (.pdf)

Calculator Ohio State richtlijnen

Richtlijnen meten trek- en duwkrachten
Ohio BWC Push/Pull Guidelines

Hoe werken de Ohio State richtlijnen ?

Met een dynamometer wordt vanuit stilstand de maximale trek- of duwkracht gemeten in horizontale richting. De gemeten waarde kan vervolgens vergeleken worden met tabellen die de maximale grenzen aangeven in functie van de hoogte van het handvat. Er zijn daarbij drie zones volgens het stoplichtmodel:

Groen Aanvaardbaar voor meer dan 80% van de mensen
Geel Aanvaardbaar voor 50-80% van de mensen. Aanpassingen aanbevolen
Rood Aanvaardbaar voor minder dan 50% van de mensen. Aanpassing noodzakelijk

Tijdens de metingen registreert men dus volgende parameters:

  • Actie: rechtdoor of draaien met twee handen, trekken met één hand
  • Type inspanning: trekken of duwen
  • Handhoogte opmeten: verticale afstand tot de grond
  • Meten trekkracht: met een dynamometer

Bij het draaien met twee handen moet ook nog de afstand tussen handen gemeten worden. Zo wordt rekening gehouden met de momentarm. Deze waarde dient zich wel tussen 30 en 90cm te bevinden. Bij het trekken en draaien met één hand hoeft dit echter niet. Dezelfde waarden als rechtdoor trekken met één hand zijn dan van kracht.

Tussenafstand handen
Ohio BWS Push/Pull Guidelines

Voorbeeld

Rechtdoor trekken met twee handen

Een kar onder een extruder die over een hele shift het afval opvangt, moet op het einde van de shift onder de machine uitgetrokken worden in rechte lijn. Het handvat van deze bak met wielen is daarbij 82cm boven de grond. De gemeten trekkracht is 28g. Dat is aanvaardbaar voor minder dan 50% van de werknemers. Aanpassingen zijn dus noodzakelijk.

Door twee keer per dag een halve afvalkar te ledigen, daalt de vereiste trekkracht tot 23kg. Dit is aanvaardbaar voor 50 tot 80% van de werknemers, maar vraagt eigenlijk nog steeds verbeteringen. Een manuele transpallet met starthulp kon de startkracht verder met 30% doen dalen tot 16,1kg. Dat maakt ook deze situatie aanvaardbaar.

Draaiend trekken met twee handen

Eenzelfde kar onder een andere extruder moet echter in een bocht onder de machine uitgetrokken worden. Dit gebeurt met twee handen met een tussenafstand van 50cm. De gemeten trekkracht daarbij is 31kg. Voor de interpretatie dient men deze kracht nog te vermenigvuldigen met de tussenafstand van 50cm, wat 1550 kg.cm oplevert. Dat is aanvaardbaar voor minder dan 50% van de werknemers.

Met de helft van het gewicht in de afvalkar en met een transpallet met starthulp, was de gemeten trekkracht 18kg met de handen op 30cm tussenafstand (540kg.cm). Daardoor is ook deze situatie aanvaardbaar voor meer dan 80% van de medewerkers.

Sterke punten

Wetenschappelijk onderbouwd

Deze methode bepaalt biomechanische grenzen voor het trekken en duwen. Voor drukkrachten op de rug mag daarbij de maximale kracht de grens van 3400N niet overschrijden. Voor de schuifkrachten in voor-achterwaartse richting is dat 700N. Alle situaties werden ook doorlopen door dezelfde 62 proefpersonen, normaal verdeeld volgens lichaamslengte. Voor de Snook tabellen waren er daarentegen verschillende kleine studies (max. 22 deelnemers).

Objectieve grenzen

De Ohio State richtlijnen voor trekken en duwen zijn objectieve grenswaarden. De referentiemethode met de Snook tabellen echter zijn psychofysische waarden. De medewerker geeft hierbij subjectief aan of hij een kracht aanvaardbaar acht in functie van de frequentie of afstand. De grenzen van de Snook tabellen zijn tot 30% minder streng.

Veelheid aan situaties

Nieuw aan dit onderzoek is dat er ook grenswaarden zijn voor het draaien met twee handen en voor het trekken met één hand. Daarvoor bestonden er nog geen limieten en kon geen onderbouwd advies gegeven worden. Deze maximale krachten zijn nu wel gekend en maakt het meten van trek- en duwkrachten met een dynamometer breder toepasbaar.

Zwakke punten

Ruime aanvaardbare zone

Uitgangspunt van de richtlijnen is dat op de werkvloer mannen en vrouwen samenwerken. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen de geslachten. Op zich is dat positief. De zone van aanvaardbare krachten wordt daarentegen echter ruim genomen. Wanneer een kracht acceptabel dient te zijn voor meer dan 80% van de werknemers, dan sluit men nog steeds tot 20% uit.

Trekken beter dan duwen?

De algemene regel is dat duwen beter is dan trekken. Met een handvat op 90cm en lager, liggen de toelaatbare grenzen bij het trekken echter hoger dan die bij het duwen. Daarna scoort duwen gunstiger. Een principe uit deze studie is namelijk ook: hoe hoger het handvat is (80-120cm), hoe hoger de grenswaarden zijn.

Volhoudkrachten

De biomechanische grenzen van deze Ohio State richtlijnen gelden enkel voor startkrachten. Bij lange afstanden zijn echter de volhoudkrachten meer bepalend en is de limiet eerder fysiologisch. De grenswaarden in deze methode zijn ook onafhankelijk van de frequentie. Ze gaan uit van een worst case scenario, die éénmalig niet overschreden mag worden. Het cumulatieve effect van meerdere keren starten wordt dus niet beschouwd.

Bron:

Weston ea. 2017 Biomechanically determined hand force limits protecting the low back during occupational pushing and pulling tasks. Ergonomics, https://doi.org/10.1080/00140139.2017.1417643