ISO 11228-2 Trekken en duwen

Trekken en duwen wordt in de ISO 11228-2 trekken en duwen gedefinieerd als één persoon, die met twee handen, op een gecontroleerde manier een last trekt of duwt. Dit gebeurt vanuit een staande houding (niet zittend) waarbij het hele lichaam wordt ingezet.

Risico inventariseren

De gevaren die geïdentificeerd kunnen worden zijn:
• Kracht : begin en volgehouden duw/trekkracht
• Houding : zijwaarts kantelen, voorover buigen en draaien van de rug
• Frequentie en duur
• Afstand
• Object : wielen en onderhoud ervan
• Omgeving : helling, tredes, warmt, koude en trilling
• Individu : leeftijd, geslacht, gezondheid, training en wrijving schoenen
• Organisatie : geen herstelpauzes, afwisseling of regelmogelijkheden

Risico evalueren

Om een risico-evaluatie uit te voeren worden twee verschillende methodes voorgesteld:
• Methode 1 : Combinatie van een checklist en Snook
• Methode 2 : Berekenen van grenswaarden voor spierkracht en skeletale kracht

Methode 1

In een eerste stap wordt informatie over de taak verzameld aan de hand van een checklist. Hierin staan de verschillende risicofactoren opgesomd die van toepassing zijn tijdens trekken en duwen van lasten. De volgende stap bestaat uit het meten van de trek- en duwkrachten.

De interpretatie gebeurt aan de hand van de Snook-tabellen zodat de taak aanvaardbare belasting inhoudt voor 90% van de werknemers. De tabellen houden rekening met volgende factoren:
• hoogte handgreep
• afstand waarover geduwd/getrokken wordt
• frequentie
• geslacht
• begin en volgehouden duw/trekkrachten

ISO11228-2 risicoscores Snook

Voorbeeld:

In de keuken van een ziekenhuis wordt een geladen kar één keer per minuut over een afstand van 10 m voortgeduwd. Om de kar in beweging te krijgen is een duwkracht van 125 N vereist, al rijdend is dit slechts 30 N. De hoogte van de handgreep bevindt zich op 1m45 van de grond.

Na het overlopen van de checklist is het aantal risicofactoren beperkt. Er zijn geen echte handgrepen voorzien, de vloer is wat glad en de omgevingstemperatuur is hoog.
In de Snook tabellen worden richtwaarden voor een afstand van 8 en 15 meter gegeven. De krachten die voor 90% van de vrouwen aanvaardbaar is, is 70 N voor de beginkracht en 40 N voor de volgehouden kracht voor 8m afstand. De gemeten duwkrachten blijven hieronder, waardoor de situatie groen of aanvaardbaar is.

Methode 2

Voor een meer specifieke en gedetailleerde risicoanalyse, dienen vier stappen doorlopen te worden:
• Stap 1: Grenswaarden spierkracht
• Stap 2: Grenswaarden skeletale kracht
• Stap 3: Maximum toegelaten krachten
• Stap 4: Veiligheidsgrenswaarden

Specifiek aan deze methode is dat rekening wordt gehouden met de karakteristieken van de werknemers.

Stap 1: Grenswaarden spierkracht

Fbr = Fb (1 – d – f)

  • Fbr : grenswaarde spierkracht
  • Fb : basiskracht op basis van werkhoogte, verdeling mannen/vrouwen en leeftijd
  • d : afstandsfactor
  • f : frequentiefactor

Stap 2: Grenswaarden skeletale kracht

In een tabel kan op basis van leeftijd en geslacht de limiet voor drukkrachten in de rug bepaald worden. Na observatie van de gewrichtshoek in de schouder en de richting van de kracht, kan de overeenstemmende grenswaarde voor skeletale kracht afgelezen worden. De nodige tabellen en grafieken kunnen in de norm teruggevonden worden.

Stap 3: Maximum toegelaten krachten

De strengste limiet, spierkracht of skeletale kracht, wordt weerhouden.

Stap 4: Veiligheidslimieten

ISO11228-2 grenzen kracht

Trek/duwafstand < 5 meter : begin trek/duwkracht vergelijken met de grenswaarden.

Trek/duwafstand > 5 meter : volgehouden trek/duwkracht vergelijken met limieten.