EMG - Elektromyografie
Binnen de ergonomie wordt deze methode gebruikt om de spieractiviteit
te meten. Door oppervlakte-elektrodes op een spiergroep te
plaatsen, kan men bepalen welke spiergroepen tijdens het werk
belast worden. Men bekomt zo een objectieve maat voor lokale
spierbelasting en –vermoeidheid.

Om de spieren te laten bewegen, is er een elektrisch signaal
nodig. De hersenen sturen zo actiepotentialen naar de spiervezel.
Wanneer deze ladingsverschuivingen onder de oppervlakte-elektrode
passeren, kunnen ze geregistreerd worden. Het metaal in de
elektrode detecteert namelijk deze elektrische potentiaalveranderingen.
Zo kan de totale activiteit van de spiergroep gemeten worden,
meer bepaald de som van alle actiepotentialen van de spiervezels
die tussen twee elektroden gelegen zijn.

De figuur toont de spieractiviteit van buikspieren (geel, groen) en
rugspieren (blauw, roze) tijdens het wandelen. Bij de interpretatie
van het signaal zijn twee parameters belangrijk. Enerzijds
de statische component, het EMG niveau dat steeds gelijkt
blijft en anderzijds de dynamische activiteit of de pieken
vanaf het “statische” plateau. De rugspieren werken
basis rond 400 µV en vlak voor elke voetcontact vertonen
ze een piek van gemiddeld 900 µV. De buikspieren laten
een laag constant signaal zien, met een kleine toppen tijdens
het steunen van de twee voeten samen. De linker- en rechterhelft
werken mooi symmetrisch bij beide spiergroepen..
Door
vooraf een maximale vrijwillige contractie (MVC) van de spier
op te meten, kan elke activiteit uitgedrukt worden als een
percentage van dit maximum. Deze drukt dan het activiteitsniveau
uit waarop de spier werkzaam is. De doorbloeding in de spier
vermindert bij een statische kracht die hoger is dan 15% van
het maximum. Een inspanning die langdurig volgehouden moet
worden, dient dus onder deze drempel te blijven.
Het voordeel van deze methode is dat heel rechtstreeks gemeten
wordt welke spieren meer of minder moeten werken. De oppervlakte-elektroden
zijn wel niet geschikt voor het meten van activiteit in diepergelegen
spieren en spieren met een beperkte grootte. Daarvoor zijn
naald- en draadelektroden nodig die in de spier ingebracht
worden. Ook in de geneeskunde maakt men hier gebruik van om
zo de zenuwgeleidingssnelheid te kunnen vaststellen.
Overzicht
- 3D
SSPP
- Accelerometer
- EMG
- Hartslag
- HARM
- KIM - MAC
-
Mainz
Dortmunder Dosismodel - multiNIOSH
- NIOSH
- OCRA
- OWAS
- RULA
- QEC
- Snook -
Strain Index