Figuur ergonomie

ERGONOMIE site.be

informatie en onderzoek over ergonomie

 

 

 

EMG - Elektromyografie

 


 

Binnen de ergonomie wordt deze methode gebruikt om de spieractiviteit te meten. Door oppervlakte-elektrodes op een spiergroep te plaatsen, kan men bepalen welke spiergroepen tijdens het werk belast worden. Men bekomt zo een objectieve maat voor lokale spierbelasting en –vermoeidheid.

 

Oppervlakte-elektroden registreren de elektrische activiteit van de onderliggende spiervezels.

 
Om de spieren te laten bewegen, is er een elektrisch signaal nodig. De hersenen sturen zo actiepotentialen naar de spiervezel. Wanneer deze ladingsverschuivingen onder de oppervlakte-elektrode passeren, kunnen ze geregistreerd worden. Het metaal in de elektrode detecteert namelijk deze elektrische potentiaalveranderingen. Zo kan de totale activiteit van de spiergroep gemeten worden, meer bepaald de som van alle actiepotentialen van de spiervezels die tussen twee elektroden gelegen zijn.

 

 

De figuur toont de spieractiviteit van buikspieren (geel, groen) en rugspieren (blauw, roze) tijdens het wandelen. Bij de interpretatie van het signaal zijn twee parameters belangrijk. Enerzijds de statische component, het EMG niveau dat steeds gelijkt blijft en anderzijds de dynamische activiteit of de pieken vanaf het “statische” plateau. De rugspieren werken basis rond 400 µV en vlak voor elke voetcontact vertonen ze een piek van gemiddeld 900 µV. De buikspieren laten een laag constant signaal zien, met een kleine toppen tijdens het steunen van de twee voeten samen. De linker- en rechterhelft werken mooi symmetrisch bij beide spiergroepen..

 

Door vooraf een maximale vrijwillige contractie (MVC) van de spier op te meten, kan elke activiteit uitgedrukt worden als een percentage van dit maximum. Deze drukt dan het activiteitsniveau uit waarop de spier werkzaam is. De doorbloeding in de spier vermindert bij een statische kracht die hoger is dan 15% van het maximum. Een inspanning die langdurig volgehouden moet worden, dient dus onder deze drempel te blijven.

 
Het voordeel van deze methode is dat heel rechtstreeks gemeten wordt welke spieren meer of minder moeten werken. De oppervlakte-elektroden zijn wel niet geschikt voor het meten van activiteit in diepergelegen spieren en spieren met een beperkte grootte. Daarvoor zijn naald- en draadelektroden nodig die in de spier ingebracht worden. Ook in de geneeskunde maakt men hier gebruik van om zo de zenuwgeleidingssnelheid te kunnen vaststellen.

 

 


Overzicht - 3D SSPP - Accelerometer - EAWS - EMG - FIFARIM - Hartslag - HARM - KIM - MAC - MDD - multiNIOSH - NIOSH - OCRA - OWAS - RULA - QEC - Snook - Strain Index - Stari

 

 

© 2006-2014 www.ergonomiesite.be - Mailen naar Roeland Motmans